Staatssecretaris Dijksma wil dat kinderen leren excelleren en dat
toptalent ontwikkeld wordt. En daarmee moet al vroeg in de basisschool begonnen worden, vindt ze. Waarom? Omdat we internationaal weer mee moeten tellen in de kenniseconomie. Slimme kinderen zijn goud waard en wij gooien dat goud teveel over de balk in ons vlakke landje. Na jaren van nivel-leren zou het nu weer tijd zijn om te excel-leren.
Alles goed en wel, maar wat hebben kinderen daar zelf aan? Maakt een kleuter zich al druk over zijn carrière? Wordt een tienjarige er gelukkig van als volwassenen om haar heen dollartekens in de ogen krijgen bij het opmerken van haar bijzondere talent? Wat staat er nog centraal: het kind en zijn natuurlijke behoefte zich te ontwikkelen, of de hoge verwachtingen van zijn omgeving? En zouden niet gewoon alle kinderen hun talenten mogen ontwikkelen, gewoon omdat het fijn is om op jouw manier ergens goed in te worden?
Aandacht voor de (leer)behoeften van (hoog)begaafden en kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong is hard nodig. Maar niet met het oog op de prestaties die dat ooit zou kunnen opleveren. Die aandacht is gewoon het tegemoetkomen aan het recht van elk kind op onderwijs. Onderwijs is een lesaanbod waarvan je iets leert. Veel kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong hebben hoge verwachtingen van school, maar raken al snel teleurgesteld wanneer blijkt dat ze op school niets nieuws leren. De braven passen zich aan en duiken onder, anderen gaan zich openlijk vervelen en vertonen storend en opstandig gedrag. Beide groepen worden gelukkiger wanneer hun behoefte om echt iets te leren serieus genomen wordt.
De meeste basisschoolleraren erkennen die behoefte. Ze willen maar al te graag daaraan voldoen, maar het ontbreekt hen aan kennis, tijd en geld. Ze hebben een klas vol kinderen die aandacht nodig hebben. Het kind dat makkelijk leert, schiet er dan al snel bij in. 'Ik moet toch eens uitzoeken...' denkt de leraar, maar voor ze het weet is het al weer een paar maanden verder. Sommige kinderen ontwikkelen zich zo snel, dat de leraar het domweg niet bij kan benen. 'Ik heb haar nog maar net een nieuwe uitdagende opdracht uitgelegd, of ze is alweer aan iets nieuws toe.'

Voor deze leraren schreef ik het boek '
Ontwikkelingsvoorsprong en (hoog)begaafdheid' in de serie 'Kinderen en hun manieren van leren' dat deze week uitkwam bij Kwintessens uitgevers. Het gaat in kort bestek in op definities van (hoog)begaafdheid en de herkenning ervan. Het is vooral gericht op de praktijk in het basisonderwijs en geeft antwoord op vragen als: hoe herken ik een kind dat onderpresteert? Wanneer en hoe is versnellen wenselijk? Hoe organiseer ik verrijkingswerk zonder dat het een te grote wissel trekt op mijn tijd en aandacht? Hoe zorg ik dat het (hoog)begaafde kind niet in een isolement komt? Is een plusklas voldoende? Hoe voorkom ik dat verrijkingswerk een snoeptrommel vol zoethoudertjes wordt? Hoe leer ik mijn perfectionistische leerling risico's te nemen? En hoe ga ik om met de ouders?
Het boek bevat kant-en-klare, kopieerbare formulieren voor gebruik met de leerling, zoals een leercontract, verrijkingscontract, leesresponsformulier en logblad. Een panel van (hoog)begaafde kinderen en een kleuter met ontwikkelingsvoorsprong heeft een aantal uitdagende materialen beproefd en van commentaar voorzien. De leraar die zich verder in het thema wil verdiepen kan putten uit de literatuurlijst en de verwijzing naar een linkenverzameling op de site van de uitgever.