Ze waren er al meer dan een eeuw over aan het bakkeleien, de etymologen. Maar pas nu, bij het schenken van een fles cider, is de herkomst van het woord fiets boven water gekomen. Wat leren we hiervan?
Dat het schenken van cider voor een doorbraak in de wetenschap kan zorgen.
Dat onze fiets uit Duitsland komt (= einde flauwe WOII-grapjes).
Dat ik etymologisch verantwoord bezig was toen ik als puber Fongers, mijn stalen ros, getouwtjehaakte teugels gaf.
Mijn moeder is nog niet dement. Dat heeft onderzoek aangetoond. Ik vertel haar dit goede nieuws. Het is een geruststelling, want haar vergeetachtigheid baart haar zorgen. 'Wat is het eigenlijk', vraagt ze, deméntie of dementíe? Waar ligt de klemtoon?'
De vraag kwam ter sprake hoe je degene noemt met wie je een belangrijk deel van je leven deelt terwijl je niet getrouwd bent - of daar niets over wilt zeggen. Niet onderling, dat zoekt iedereen zelf maar uit. Maar in het publieke domein. Als je met een instantie spreekt over de hypotheek of een lekkende dakgoot. 'Mijn ... heeft twee weken geleden gebeld, waarom hebben we nog niets gehoord?' Zulke situaties dus.
Sommigen zeggen dan toch mijn man of mijn vrouw. Ik ook wel eens, maar dan ga ik gelijk giechelen van de spanning omdat ik lieg. Lekker handig als je een instantie wilt bewegen om wat vaart te maken. Volgens Van Dale is mijn man voorbehouden aan de echtgenoot. Ik heb bij mijn man trouwens het beeld van iemand die 's morgens om acht uur de deur uit is en 's avonds rond zessen thuiskomt en dan gelijk aan kan schuiven voor het eten. Een Echte Man volgens oude rolpatronen. Evenzogoed is mijn vrouw degelijk en proper en zorgt ze dat om zes uur die maaltijd volgens de schijf van vijf op tafel staat. Totaal verkeerd beeld dus.
Mijn vriend(in) is toelaatbaar tot hooguit een jaar of dertig, verwijst naar mijn verkering en daar ben je op een gegeven moment toch te oud voor. Dan moet je gezwicht zijn voor het 'Wordt het niet eens tijd dat jullie gaan trouwen?' Of je gaat in de herhaling op latere leeftijd, na een huwelijk, maar ook dan heeft het iets koddigs, iets van 'kijk ze toch, zo schattig, zo verliefd nog.' (Vind ik dan, hè? Wat jij zegt moet je zelf weten natuurlijk, maar reken wel op een vertederde blik van mij.)
Mijn lief wordt veel gebruikt. Ik vind dat maar niks. Gebruik dat lekker onderling maar houd die troetelnaampjes buiten de openbaarheid. Het zelfde geldt voor het 'schatteke' dat ik onlangs een Vlaamse hoorde gebruiken. Al klinkt dat wel grappiger dan 'lief', vooral als dat schatteke dan een boom van een vent blijkt te zijn, modelletje Jerommeke.
Mijn (levens)partner gebruik je als niet iedereen gelijk hoeft te weten dat je met iemand van gelijke sekse samenleeft. Waardoor iedereen het direct zal vermoeden. Of (zonder het voorvoegsel levens-) als je praat over dansles of je zakenpartner.
Als tegenhanger voor mijn (wettige) echtgenoot kun je de onwettige bedgenoot inzetten. Maar dan beperk je de funtie tot de slaapkamer en dat is nou net niet waar je de aannemer met zijn gedachten wilt hebben.
Mijn minnaar/minnares wijst op een al evenzeer beperkt deel van het samenzijn en is meestal voorbehouden aan degene met wie je juist niet je leven deelt, maar die eerder de rol van extraatje speelt.
De vader/moeder van mijn kinderen: 'Oh, zijn jullie gescheiden?'
Mijn huisgenoot is iemand met wie je niet meer deelt dan de huur en soms de maaltijden. Dat gaat misschien op voor veel huwelijken als ze sleets raken, maar dat is vast niet wat je wilt uitdragen.
Mijn relatie is de band die je met de ander hebt en niet de ander zelf. Of het duidt op iemand uit je zakelijke netwerk.
Ik kom er niet uit. Suggesties zijn welkom. Tot er een goede aanduiding komt, moet ik me misschien maar behelpen met mijn Hans. Dat maakt niets duidelijk, maar schept tenminste ook geen verkeerde beelden.
De grote zus die ik als zevenjarige enorm bewonderde, schreef in haar 'van-alles-en-nog-wat'-boekje dat ik nauwgezet volgde: "Ik heb met moeder jonge slaplantjes gepoot." Slap-lantjes, wat zouden dat zijn, vroeg ik me af. Pas dagen later ontdekte ik dat het ging om plantjes en wel die van sla.
Deze week pootte ik ze ook, die jonge slaplantjes. Dit meldde ik tijdens het avondeten aan mijn dochter met de uitspraak zoals ik het als zevenjarige had gelezen: slap-landjes. Met daarna de juiste uitspraak. Maar dat verstond ze als slaapplantjes en vroeg of dat was voor een betere nachtrust. Mijn zoon vond dat die plantjes vanwege hun nog tere gestel ook wel slapplantjes mochten heten.
Vroeger dacht ik dat het een oma was die bedlegerig was: de betovergrootmoeder. Maar de meeste betovergrootmoeders liggen al onder een bloembed voor ze het zijn.
'Bet' is het oude woord voor 'beter'. Bij de overgrootmoeder slaat het voorvoegsel 'bet' op 'nog verder in de verwantschapslijn'. 'Bet' zie je ook nog terug in het woord 'betweter' en volgens het Etymologisch woordenboek van Terwen (1844) in Betuwe (Bet-Auwe).
Vreemd dat 'beter' niet de overtreffende trap van 'bet' was. Bet-beter-best is veel logischer dan het huidige goed-beter-best.
Maar taal is nou eenmaal een beetje raar. Mijn achternichtje is ook niet achter dan mijn acht neven en nichten.
Ik pel een sinaasappeltje en als vanzelf schiet me een zinnetje te binnen dat mijn vader vroeger vaak zei: 'Eet geen uitlands ooft!'
Ooft is een verouderd woord voor fruit. Aanvankelijk voor alle fruit - volgens het etymologisch woordenboek alle fruit dat bestaat uit vlees om pitten -, later alleen nog in gebruik voor 'appelen en peren'.
'Ooft' is verwant aan het Duitse 'Obst'.
Maar waar kwam dat zinnetje vandaan, behalve dan uit mijn vaders mond? Iemand wees me op Psalm 81. Daar staat in een van de oudere berijmingen: 'Eert geen uitlands God.' De tekst 'eet geen uitlands ooft' kan ik nergens vinden. Vermoedelijk was het een klankgrapje van mijn vader, of misschien een studentengrap uit zijn studietijd. Ik zal het nooit weten, want ik kan het hem niet meer vragen. Hij hield alleen niet zo van sinaasappelen. Wel van bananen en druiven. Daarom hanteerde hij de regel zelf nogal selectief.
Een keer per jaar komt er een brief van de uitgever met de mededeling dat bedrag x aan royalty's zal worden uitgekeerd. Royalty's! Het klinkt zo koninklijk, zo royaal. En op een of andere manier voelt het ook als een cadeautje. Is dat omdat er minstens een jaar verstreken is tussen inspanning en beloning? Of omdat er ook uitgevers zijn waarbij je als auteur hemel en aarde moet bewegen om die royalty's te krijgen?
Royalty's zijn gewoon onderdeel van een zakelijke afspraak. Royaal is het niet: maar heel weinig schrijvers kunnen rondkomen van royalty's. Met een folderwijkje verdien je meer. Hoe komen de royalty's dan aan hun koninklijke naam?
De naam stamt volgens Van Dale uit Engeland, uit het begin van de vorige eeuw. Royalty was 'aandeel in de opbrengst, bijvoorbeeld bij de exploitatie van delfstofhoudende gronden, met name aan de eigenaar door de exploitant afgestaan.' Die eigenaar was een grootgrondbezitter of de koning.
Auteurs zijn de eigenaars van hun teksten. Uitgevers exploiteren die en betalen daarom royalty's aan degenen die heer en meester zijn van het verhaal. Het voelt alweer heel koninklijk. Alleen de buiging mis ik nog.
Geen zin om conferences en jaaroverzichten uit te kijken op oudejaarsavond? Met dit spel vermaak je je uitstekend tot middernacht.
Nodig: een woordenboek, papier en pen/potlood
Basis van het spel
(voor 3 tot 5 deelnemers)
Een van de spelers (de 'woordweter') zoekt in het woordenboek een woord waarvan niemand in het gezelschap de betekenis kent. (Dat moet dus even gecheckt worden voor je verdergaat.)
Elk van de deelnemers verzint twee definities voor het woord en schrijft die op een blaadje met eigen naam erboven. De woordweter schrijft de juiste definitie. De overige deelnemers leveren hun blaadje in. De woordweter leest alle definities door elkaar op. De overige deelnemers raden vervolgens welke de juiste definitie is. De woordweter zet een punt bij elke geraden definitie.
Puntentelling
1 punt voor een door een ander geraden onjuiste definitie
1 punt voor degene die de juiste definitie heeft geraden
De punten worden geteld en de volgende in de kring wordt woordweter.
Als woordweter kun je geen punten halen.
Met 2 spelers
drie definities per persoon, de woordweter verzint er twee en voegt er de juiste definitie bij. Een punt voor de woordweter als de ander een verzonnen definitie raadt, een punt voor de ander als deze de juiste definitie raadt.
Heb je de meerdelige Dikke Van Dale, gebruik dan ieder een deel en verzin als woordweter twee definities naast de echte, die de ander moet raden.
Met meer dan 5 deelnemers
Elk van de deelnemers verzint één definitie. De woordweter verzint er geen.
Veel plezier!
Mooie definities gewrocht? Ze zijn welkom bij de reacties op dit bericht en als het even kan zet ik ze in een volgend blogje online zodat iedereen kan meegenieten.
Alle lezers van dit weblog wens ik een gelukkig jaar met veel zin in/en mooie woorden.
We waren een beetje melig bij de schilderles. Een van de cursisten dreigde de leraar te zullen doodverven. Voor straf - of als beloning? - kregen we daarna acht avonden doodverven.
Doodverven hoort bij een oude schildertechniek, die onder andere bij stillevens gebruikt werd. Na het aanbrengen van de gebruikelijke grondlaag wordt eerst een schildering gemaakt in één kleur. Meestal is dat gebrande sienna, een transparante bruintint. Daarna schilder je die bruinen dood met een dunne laag transparant wit.
Van Dale zegt dit: "(1465 ‘doodskleur’) van Mnl. doot (dood, bleek (van het gelaat)) + verf, de doodverf is dus genoemd naar het gebruikelijke doffe wit"
En inderdaad, dat wit slaat eigenlijk die hele onderschildering een beetje dood: je ziet het nog wel, maar het is mat, zonder diepte. Pas daarna breng je leven in de brouwerij door die dooie boel in te kleuren met olieverf, in dunne transparante laagjes die tussentijds weer een week moeten drogen. Lang leve het trage leven.
Kijk nu eens naar de betekenissen die volgens Van Dale doodverven heeft. Zelfs al weten nog maar weinig mensen van de oorsprong van het woord, vrijwel alle betekenissen hebben nog een duidelijke link met het oorspronkelijke doodverven.
1. In de grondverf zetten
2. (schilderkunst) aanleggen
3. (figuurlijk) (met woorden) schetsen, niet uitvoerig beschrijven.
4. Doen voorkomen. Synoniem: kenschetsen
5. Voorbestemmen.
- iem. met een ambt, een post doodverven: hem ervoor bestemd houden
- de gedoodverfde winnaar: degene die welhaast zeker zal winnen
Zintuiglijke ervaringen zijn belangrijk in verhalen. Ze trekken de lezer aan zijn lurven het verhaal in. Die ruikt, ziet, hoort of proeft wat de hoofdpersoon proeft. Om dat voor elkaar te krijgen moet je wel de juiste woorden vinden om die zintuiglijke ervaringen op te roepen. Liefst weinig woorden die gelijk raak zijn. Zo kwam ik vandaag voor de vraag te staan hoe je dat geluid noemt dat busdeuren maken als ze dichtgaan. Ik kwam er niet uit, maar gelukkig is er altijd nog Twitter. Eén vraagje daar gedropt en in een mum van tijd werden prachtige woorden geopperd: